Uitspraken

Uitspraak in de klacht: NH1816 komt haar verplichtingen uit de WAM-verzekeringsovereenkomst

Uitspraak in de klacht:

2018 03-01 NH1816 komt haar verplichtingen uit de WAM-verzekeringsovereenkomst niet na

Klaagster: <GEANONIMISEERD> wonende <GEANONIMISEERD>

Jegens

Schadeverzekeraar: NV Noordhollandsche van 1816 Schadeverzekeringsmaatschappij t.h.o.d.n. Coöperatie Noordhollandschade van 1816 U.A. te Oudkarspel

Onderwerp van het geschil:

Klaagster is het niet eens met de gang van zaken rond de afwikkeling van haar motorrijtuig-schade. Klaagster sloot enkele jaren geleden een schadeverzekering af, waarbij zij premie betaalde voor een dekking tegen onder meer het risico van wettelijke aansprakelijkheid conform de WAM.

De partner van klaagster is op 15 juni 2013 betrokken geraakt bij een ongeval, waarbij de bij NH1816 verzekerde automobiel in aanrijding is gekomen met een derde. NH1816 heeft aansprakelijkheid erkend voor dit ongeval.

Klaagster vindt dat de kosten van het herstel van de automobiel van haar wederpartij volledig voor rekening van de NH1816 dienen te komen; door haar gedane betalingen inzake dit ongeval mag NH1816 niet op haar verhalen.

Klaagster heeft zich tot het Financiële Klachteninstituut (KiFiD) gewend. Het KiFiD heeft klaagster haar vorderingen inmiddels afgewezen. Het digitale dossier van het KiFiD, in de vorm van 101 bladzijden A4, gaat hierbij.

Klaagster heeft, na telefonisch overleg met het bureau van de Ombudsman Schadeverzekeringen, erop gewezen dat brieven van NH1816 over een mislukte incasso van een bedrag van € 72,17 met de data: 31 mei 2013, 1 juli 2013 en 29 juli 2013 NIET door haar zijn ontvangen. Bovendien wees zij erop dat het opmerkelijk is dat op een rekening met een factuurdatum van 30 mei 2013, reeds op 31 mei 2013 aan een verzekerde wordt bericht dat het kenteken van het betreffende motorrijtuig zal worden afgemeld en dat dit 30 dagen later in de brief van 1 juli 2013 wordt herhaald, terwijl klaagster weet dat de betalingstermijn 45 dagen bedraagt. Het KiFiD heeft aan deze door klaagster niet ontvangen brieven in haar uitspraak een rol toebedeeld.

  1. Alvorens heden uitspraak te doen is NH1816 in de gelegenheid gesteld op deze klacht en het hierboven gestelde te reageren.

 

  1. NH1816 heeft op 29 maart 2018, bij monde van haar manager Acceptatie en Financiën, de heer P. de Vries, op de klacht als volgt gereageerd:

Het dossier van <GEANONIMISEERD> heeft alle formele klachtenprocedures doorlopen, zowel intern als extern. Dit is u bekend en u heeft ook het KiFiD-dossier ter beschikking.

Van nieuwe feiten of inzichten is geen sprake. Een herhaling van standpunten en argumenten heeft in dit stadium geen toegevoegde waarde.

Op zich staan wij bij verschil van inzicht in beginsel open voor (onafhankelijke) bemiddeling. Dat is in dit dossier echter duidelijk een gepasseerd station.

Als u of <GEANONIMISEERD> het standpunt wenst te laten toetsen door de rechter, dan staat die optie vanzelfsprekend open.”

  1. Bij wijze van voorziening heeft de Ombudsman zijn standpunt inzake de klacht en de door NH1816 verstrekte reactie hierbij bepaald.

Feiten

  1. De feiten van de zaak blijken uit de klacht, de tussen partijen bij het KiFiD gewisselde stukken en uit de niet-bindende uitspraak van het KiFiD, zoals herhaald en aangevuld in de toezending van de klacht aan NH1816 op 22 maart 2018 en in diens reactie van 29 maart 2018.
  2. In de kern genomen is aan de orde de (door NH 1816 aangezegde) incasso van de door NH1816 aan een derde uitgekeerde schadevergoeding ad (meer dan) € 4.710,17, uit hoofde van de door klaagster gesloten WAM-verzekering en de vervolgens door NH1816 gestelde beëindiging vanwege het niet tijdig betalen van verschuldigde vervolgpremie en het aldus door NH1816 verkregen recht op terugvordering van deze schadevergoeding van klaagster.

Beoordeling en uitspraak

 

  1. De Ombudsman heeft bij het voorleggen van deze klacht aan NH1816 haar uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het “opmerkelijk is dat op een rekening met een factuurdatum van 30 mei 2013 reeds op 31 mei 2013 aan een verzekerde wordt bericht dat het kenteken van het betreffende motorrijtuig zal worden afgemeld en dat dit 30 dagen later in de brief van 1 juli 2013 wordt herhaald, terwijl klaagster er weet van heeft dat de betalingstermijn 45 dagen bedraagt. Het KiFiD heeft aan deze niet door klaagster ontvangen brieven overigens in haar uitspraak een rol toebedeeld”
  2. NH1816 is op deze expliciet onder haar aandacht gebrachte kwestie niet ingegaan.
  3. De Ombudsman stelt voorop dat op [verzekeraar] de stelplicht en bewijslast rust, nu zij zich beroept op het rechtsgevolg van het (verzenden en) ontvangen van de door NH1816 ingebrachte kopie-aanmaningen, de werking van artikel 7:934 BW en de schorsing en de beëindiging van de verzekering.1
  4. In dit geval is gesteld noch gebleken dat NH1816 voor 31 oktober 2014 jegens klaagster <GEANONIMISEERD> expliciet aanspraak heeft gemaakt op betaling van de premies die klaagster <GEANONIMISEERD> over de periode van 1 mei 2013 tot en met 1 februari 2014 verschuldigd was. Blijkens de door NH1816 overgelegde stukken heeft NH1816 pas bij brief van 31 oktober 2014 hiervoor een aanmaning aan klaagster <GEANONIMISEERD> verzonden. Van NH1816 had echter mogen worden verwacht dat zij met redelijke voortvarendheid tot invordering van deze premies of tot opzegging van de verzekering zou overgaan. Niet is komen vast te staan dat NH1816 dit heeft gedaan. Blijkens de beschikbare stukken heeft NH1816 in de periode dat de dekking was opgeschort, uitsluitend gesproken over de bestaande achterstand en niet over de doorlopende betalingsverplichting. Niet iedere verzekerde zal het verschil tussen schorsing en opzegging onderkennen en al helemaal niet als niet kenbaar is dat aanspraak gemaakt wordt op doorbetaling van de maandpremie. NH1816 is er daardoor debet aan dat bij klaagster <GEANONIMISEERD> onduidelijkheid over haar positie is ontstaan. Dat gegeven in combinatie met haar weinig voortvarend handelen met te weinig oog voor de positie van haar verzekerde maakt dat onverkorte nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in dit geval leidt tot een onaanvaardbaar resultaat.
  5. Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de premieachterstand blijkt dat -naar eigen stelling van NH1816- “de polis met nummer 833304 is geroyeerd in verband met een structurele premieachterstand. Vanaf februari 2011 was bijvoorbeeld de dekking van de autoverzekering 6 keer door ons afgemeld bij de RDW2. Uiteindelijk hebben wij begin 2014 besloten de combipolis te beëindigen”3 zich op (tenminste) zes momenten bewust was van premieachterstand over de periode van 1 februari 2011 tot en met 1 februari 2014. NH1816 had in redelijkheid eind februari 2013, toen er -naar eigen zeggen- “voor de zesde keer een afmelding bij de RDW had plaatsgevonden”, de verzekeringsovereenkomst moeten beëindigen. Van deze zes (6) afmelding(en) werd overigens geen bewijsmiddel door NH1816 aangeboden of ingebracht. Terwijl geldt dat: niet alleen bij het afsluiten van de verzekering heeft de verzekeraar de plicht om het kenteken aan te melden, maar ook bij het schorsen, beëindigen, vernietigen of ontbinden van de verzekerings-overeenkomst is de verzekeraar wettelijk verplicht om het kenteken af te melden bij het RDW (artikel 13 WAM).
  6. De Ombudsman overweegt, aansluitend bij de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 december 2014 en de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 februari 1987 waarin naar eerstgenoemde uitspraak wordt verwezen, dat van een algemene voorwaarde, die bepaalt dat gedurende de schorsing van de verzekering de verplichtingen van verzekerde integraal in stand blijven terwijl diens rechten even integraal vervallen, weliswaar niet kan worden gezegd dat die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of onredelijk bezwarend, maar de consequenties ervan zijn wél zodanig bezwarend voor klaagster <GEANONIMISEERD> dat NH1816 deze situatie niet voor onbepaalde, dan wel eenzijdig door haar bepaalde tijd mag laten voortduren.
  7. Het hof overweegt als volgt “Van een verzekeraar mag worden verwacht dat zij een verzekerde snel, duidelijk en correct informeert over zijn rechten en plichten na een schademelding. Dit geldt te meer, wanneer – zoals in dit geval – de dekking is geschorst en de verzekeraar er naar aanleiding van een schademelding op bedacht had moeten zijn dat de verzekerde zich dit niet realiseert. Nationale Nederlanden heeft dat nagelaten. De omstandigheid dat de Nationale Nederlanden [geïntimeerde] op een eerder tijdstip wel op correcte wijze op de hoogte heeft gebracht van de schorsing doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat [het administratiekantoor] [geïntimeerde] op de schorsing had kunnen wijzen, althans had kunnen verifiëren of [geïntimeerde] de premie had voldaan, maakt niet dat voor Nationale Nederlanden voornoemde zorgplicht niet meer geldt. Nationale Nederlanden heeft deze zorgplicht geschonden, toen zij op 10 oktober 2012 aan [geïntimeerde] de onjuiste mededeling deed dat de schade van de inbraak van 5 augustus 2012 met inachtneming van een eigen risico van € 454,– zou worden vergoed. Dit betekent dat het hof van oordeel is dat Nationale Nederlanden aldus toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de verzekeringsovereenkomst voorvloeiende zorgplicht.”4
  8. De Ombudsman overweegt daarboven, aansluitend bij het hier bovenstaande arrest van het gerechtshof Den Haag, dat NH1816 de beslissing om de WAM-verzekering te schorsen eerder en duidelijker kenbaar had moeten maken aan <GEANONIMISEERD>. Door <GEANONIMISEERD> niet duidelijk en correct te informeren over haar rechten en plichten, juist na een schademelding, is NH1816 toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de uit de verzekeringsovereenkomst voorvloeiende zorgplicht.
  9. Artikel 7:934 BW vereist dat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen. Artikel 7:934 BW, bevat ingevolge artikel 7:943 lid 3 BW dwingend recht ter bescherming van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en zij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. <GEANONIMISEERD> komt derhalve ook voor deze bescherming in aanmerking.
  10. NH1816 merkt als “vervaldag” in de zin van voornoemd artikel kennelijk 31 mei 2013 aan. Krachtens artikel 10 lid a van de algemene voorwaarden diende <GEANONIMISEERD> de premie echter binnen 30 dagen na 30 mei 2013 te voldoen. Op 31 mei 2013 was er derhalve nog geen sprake van dat de premiebetaling niet tijdig had plaatsgevonden. Het is in strijd met inhoud en strekking van artikel 7:934 BW om te stellen dat de in dat artikel bedoelde aanmaning zou kunnen plaatsvinden vóór de uiterste datum waarop ingevolge de verzekeringsovereenkomst de premie dient te zijn voldaan.
  11. Daar komt dat klaagster ontkent dat zij door NH1816 op de gevolgen van wanbetaling is gewezen. Klaagster is aldus vruchteloos aangemaand. Uit de overlegde stukken in de KiFiD-procedure blijkt niet dat zij na de relevante premievervaldag is aangemaand tot betaling; evenmin dat de betaling niet op de 15de dag na de aanmaning zou zijn ontvangen door de verzekeraar. <GEANONIMISEERD> heeft overigens een overzicht van gedane betalingen en uitgevoerde storneringen van de automatische incasso’s overlegd. Uit dit overzicht lijkt te volgen dat <GEANONIMISEERD> immer, zij het laat, aan haar betalingsverplichtingen jegens NH1816 heeft voldaan.
  12. Het valt de Ombudsman daarbij nog op dat NH1816 aanmaningen uit 2013 heeft overgelegd met een logo/beeltenis dat de NH1816 -kennelijk-, in 2013, al “200 jaar bestond”. Zonder toelichting -die ontbreekt- lijken de aanmaningen van 31 mei en 1 juli 2013 nu op dat moment NH1816 kennelijk 197 jaar bestond, ook al dáárom aan gerede twijfel onderhevig.
  13. Het onderdeel van de klacht dat zich richt tegen de vordering tot terugbetaling vanwege de beëindiging van de WAM-verzekering, zal daarom worden toegewezen. De Ombudsman beveelt NH1816 aan haar voorgenomen incassoprocedure niet uit te voeren.

 

Hilversum, 3 april 2018

1 Vergelijk, recent: Rb Zeeland-West-Brabant 22 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:2971, r.o. 4.5

2 Rijksdienst voor het Wegverkeer, wordt ook wel het RDW genoemd.

3 Brief NH1816 d.d. 30 juni 2016 in het kader van het antwoord van NH1816 (auteur P. de Vries) op de klacht van mevrouw <GEANONIMISEERD> en de vragen van het KiFiD.

4 ECLI:NL:GHDHA:2017:437 r.o.3.9